Gebruik deze URI om naar dit artikel te verwijzen: http://www.internationaleneerlandistiek.nl/vol50/nr01/a04
Taalverandering
Taalverandering en vooral de vraag of en in hoeverre taalverandering taalverloedering is, is een onderwerp dat veel mensen bezighoudt. De meeste taalkundigen daarentegen willen zich niet uitspreken over ‘goed’ of ‘fout’, ze constateren en beschrijven veranderingen en misschien proberen ze ook nog verklaringen te vinden, maar de goed/fout-vraag interesseert ze niet. Er zijn uitzonderingen: Joop van der Horst bijvoorbeeld of Jan Stroop, taalkundigen die niet terugdeinzen voor de normatieve kant van taal en taalgebruik. Allebei hebben ze daar de afgelopen decennia tal van artikelen en columns over gepubliceerd in diverse kranten en tijdschriften. En van beiden is in 2010 een boek verschenen, waarin een reeks van deze stukken over taalverandering bij elkaar zijn gebracht.
Jan Stroop heeft artikelen en columns uit de afgelopen vijftien jaar gebundeld onder de titel Hun hebben de taal verkwanseld. Daar komen een paar niet eerder verschenen hoofdstukken bij en een inleiding, waarin Stroop de lezer vertelt dat zijn boek gaat over ‘het verschil tussen “fout” en fout Nederlands’. Fout zijn volgens hem constructies die ongrammaticaal zijn; ‘fout’ (= zogenaamd fout) zijn die verschijnselen die niet in strijd zijn met de grammatica van het Nederlands, maar die toch vaak als voorbeelden van taalverloedering worden genoemd. In het boek komen we de usual suspects tegen: naast het hun hebben uit de titel gaat het in een aantal stukjes over de comparatief (groter dan/als); er zijn teksten over de spelling en natuurlijk over het zogenoemde Poldernederlands, waarvan Stroop de uitvinder is en waardoor hij bekend is geworden bij een breder publiek.
Stroop is van mening dat taalverandering in principe goed is: taalverandering is voor hem taalverbetering, bijvoorbeeld omdat de taal er systematischer of efficiënter door wordt. ‘Beter’, ‘systematischer’, ‘efficiënter’ – het zijn een voor een problematische noties die in hun toepassing op taal maar een zeer beperkte verklarende kracht hebben. Neem de vervanging van groter dan door groter als. Volgens Stroop zal die ervan komen omdat ‘het Nederlands eigenlijk geen behoefte meer heeft aan twee voegwoorden van vergelijking’ (p. 42). Toch bestaan ze al eeuwenlang naast elkaar en de hele kwestie lijkt me alleen dan problematisch wanneer je niet kunt of wilt accepteren dat taal nu eenmaal niet zo systematisch en efficiënt is als je misschien wel zou willen. Huydecoper dacht zo, hij vond variatie en verandering uit den boze en vond daarom dat de Nederlanders moesten kiezen voor één vorm. Zijn pleidooi voor dan was vooral ingegeven door het feit dat dan de oudere vorm is. Stroop denkt ook zo, gezien zijn argumentatie ten gunste van als: ‘Aangezien we bij de meeste taalveranderingen een verschuiving naar meer efficiëntie of gemak kunnen vaststellen, moet dat bij groter als ook mogelijk zijn’ (p. 40).
Taalverandering is vooruitgang, aldus Stroop, maar toch vindt ook hij niet elke verandering goed. Hij is – en daar wijst hij in de inleiding al op – naast taalkundige ook taalgebruiker en als zodanig keurt hij ook wel eens vernieuwingen af (zoals de harde uitspraak van de g of de ‘terreur van de spelling’). Deze dubbele houding (de ‘objectieve’ taalkundige versus de taalgebruiker die zich opwindt) vinden we door het hele boek terug, zonder dat (voor mij) duidelijk wordt, waar nu precies de grens ligt tussen goed en fout, of tussen fout en ‘fout’. En volgens mij valt die grens ook niet te trekken. Een belangrijke notie is voor Stroop het ‘taalgevoel’ dat ons in staat stelt om grammaticale uitingen te scheiden van niet grammaticale: ‘Wat niet kan, kun je niet zeggen en wat je kunt zeggen, dat kan dus gewoon’, schrijft hij (op p. 30). Maar wie bepaalt wat niet kan? Verandering begint met vernieuwing en veel vernieuwingen zijn in het begin voor de taalgemeenschap respectievelijk de grote meerderheid van de individuele taalgebruikers ongrammaticaal (ze kunnen niet). Door veelvuldig gebruik kan deze inschatting echter veranderen, de vernieuwing wordt door steeds meer mensen geaccepteerd, de taal van de gemeenschap verandert. Met het oog op taalverandering komt Stroop dan ook terecht in een soort cirkelredenering. Marc van Oostendorp heeft daar eerder op gewezen in zijn bespreking van Stroops boek: ‘de taalgemeenschap accepteert alleen goede taalveranderingen en een verandering is per definitie goed als hij door de taalgemeenschap geaccepteerd wordt’ (Van Oostendorp op 30-11-2010 in Neder-L).
Dat het ook anders kan, laat het boek van Van der Horst zien (Met het oog op morgen). In de bundel zijn veertig artikelen bij elkaar gebracht die – op het eerste na – allemaal eerder zijn verschenen in de loop van de afgelopen twintig jaar (de meeste in Onze Taal). Ze bewegen zich allemaal in het ‘krachtenveld van taal, standaardtaal, taalverandering en taalnormering’, aldus Van der Horst (p. 7). De onderwerpen zijn op zich zeer vergelijkbaar met die van Stroop. Al in het inleidende hoofdstuk komen we bijvoorbeeld Balthazar Huydecoper weer tegen en zijn pleidooi voor het gebruik van groter dan. Maar Van der Horst schetst de houding van Huydecoper veel genuanceerder, het wordt duidelijk dat deze ‘leerstelling’ (Stroop) niet zomaar uit de lucht kwam vallen en dat de karakterisering als ‘leerstelling’ ook nauwelijks recht doet aan de overwegingen die Huydecoper presenteert en aan zijn besef van taalverandering. Huydecoper wordt hier geplaatst in zijn tijd, de renaissance, en we begrijpen, waarom hij vanuit een zekere angst voor taalverandering van mening was dat hij het moest opnemen voor dan.
Van der Horst staat bekend als iemand met oog voor actuele veranderingen. In een aantal van de hier gebundelde stukken staan dergelijke veranderingen centraal en Van der Horst bespreekt mogelijke oorzaken (vooral taalinterne). Het doorgestreepte het in de titel van het boek is een verwijzing naar één van de besproken veranderingen: voorzetseluitdrukkingen als aan de hand van, in het licht van of met het oog op zijn bezig hun lidwoorden kwijt te raken. Van der Horst geeft veel voorbeelden van zinnen met aan hand van enzovoort en als we even over de grens kijken dan wordt duidelijk dat deze vorm in het Duits al lang standaard is (anhand von).
Het tweede grote onderwerp is de positie van de standaardtaal. Het gaat Van der Horst om aspecten van taalnormering en om het einde van de standaardtaal (dat was de titel van zijn boek uit 2008; vergelijk de bespreking door Ulrike Vogl in jg. 47, nr. 1 van dit tijdschrift). Hij onderzoekt de opkomst en de neergang van de taalcultuur van de renaissance, die nog steeds zo bepalend blijkt voor onze opvattingen over taal, taalvariatie en taalverandering. Een derde reeks artikelen is gewijd aan taal en literatuur, een onderwerp dat tegenwoordig in de taalkunde niet (meer) erg populair is. Van der Horst ziet literaire taal gewoon als een vorm van taalgebruik die net als elke andere vorm van taalgebruik de aandacht verdient van de taalkunde. Ik denk dat hij gelijk heeft: door de focus van de moderne taalkunde op de gesproken taal als enige ware taal, beperken we onszelf wel heel erg en lopen we veel interessante kenmerken van geschreven literaire taal mis.
Voor de Onze Taal-lezers onder ons bevat deze bundel niet veel nieuws, maar hij maakt eens te meer duidelijk dat Van der Horst boeiend schrijft over taal en taalverandering, over taalnormering en over (het einde van) de standaardtaal.
