Gebruik deze URI om naar dit artikel te verwijzen: http://www.internationaleneerlandistiek.nl/vol49/nr03/b02
Internationale Neerlandistiek, 49e jaargang, nr. 3 (oktober 2011)
Boekbespreking
Piet J.A. Franssen, De tovenaar Vergilius. Een tekstuitgave van Virgilius. Van zijn leven, doot, ende vanden wonderlijcken wercken die hi dede bi nigromancien ende by dat behulpe des duvels. Antwerpen, Willem Vorsterman, circa 1525. Hilversum, Verloren, 2010. 143 pp. ISBN 978 9087 041 465. € 19.
Elsa Strietman
Hoort hier wonder ende waerhede!’
‘Hoort hier wonder ende waerhede!’ -- het zou een advertentie kunnen zijn voor deze merkwaardige tekst. Bij mij dringen zich twee gedachten naar voren, concepten die ik me herinner van onze eerste colleges Middelnederlandse letterkunde en die hun bruikbaarheid en toepasselijkheid nog niet verloren hebben: Epische Verdichtung en Gesunkenes Kulturgut.
De eerste notie heeft betrekking op het feit dat de invloed van de schrijver van de Aeneis, een boek dat sterk aanwezig was in de cultuur en literatuur van Europa, tot gevolg had dat ook de figuur van Publius Vergilus Maro (70-19 voor Christus) zelf in verschillende verbale en visuele uitingen gestalte kreeg. Niet alleen in de Latijnstalige, maar ook in de volkstalige cultuur was dat het geval en op die manier oefende hij een nieuwe invloed uit op luisteraars, lezers en kijkers. Het bewijs daarvoor vinden we in de tekstuele tradities, maar ook in de beeldende kunsten. Vergilius doet op dat vlak nauwelijks onder voor Karel de Grote, Alexander de Grote of Arthur.
De gevierde en gerespecteerde klassieke auteur heeft echter ook aanleiding gegeven tot de creatie van een zonderlinge figuur: die van de gevreesde tovenaar Vergilius. In deze gedaante kreeg die weer op allerlei manieren gestalte in de middeleeuwse letterkunde in teksten en beelden die wel heel ver afstaan van het verheven idee van de geniale Romein en zijn heroïsche magnum opus. En dat brengt me tot het Gesunkenes Kulturgut. Wat verbindt de schepper van de Aeneis nog met de belachelijke en hulpeloze tovenaar Vergilius, bedrogen door een jonge vrouw en hangend in een mand aan de muur onder haar venster? Om nog maar te zwijgen van andere manifestaties van zijn toverkracht die wijzen op een band met de duivel?
Met geduld en vasthoudendheid heeft Piet Franssen de ‘menichfoude en cromme paden’ van deze fascinerende figuur gevolgd en in kaart gebracht. Daarbij heeft hij zich voortdurend rekenschap gegeven van de vraag wat die metamorfoses ons kunnen duidelijk maken over de middeleeuwse maatschappij waarin ze werden bedacht.
Deze uitgave geeft nieuwe lezers de mogelijkheid een Nederlandse Vergiliustekst (Willem Vorsterman, Antwerpen, waarschijnlijk circa 1525) te bestuderen die enkel voorhanden was in Jan Gesslers facsimile-uitgave (1950) van het enige complete exemplaar (British Library no. 1073h.44). Het lettertype, de structuur waarbij de hoofdstukken worden voorafgegaan door een titel die vooruitwijst naar de inhoud en vooral ook de houtsneden: deze gedrukte tekst heeft de uiterlijke vorm van een volksboek.
Franssen heeft deze tekst ontsloten en toegankelijk gemaakt door de oorspronkelijke tekst te voorzien van een aantal vereenvoudigingen (gelukkig geen hertalingen!), woordverklaringen, commentaar, illustratieverantwoording en een uitgebreide literatuuropgave met de meest recente relevante publicaties. Die maken verdere studie mogelijk van het bredere kader waarbinnen de Vergiliusverhalen hun plaats hebben.
In de inleiding van de editie wordt al meteen duidelijk hoe breed dat kader is. De tovenaar Vergilius komt van de twaalfde tot de zestiende eeuw voor in Latijnse, Franse, Occitaanse, Duitse, IJslandse, Engelse, Italiaanse, Nederlandse en Spaanse handschriften en is het onderwerp van ten minste vier afzonderlijke gedrukte versies in het Duits, Frans, Engels en Nederlands. Het is niet helemaal duidelijk in de lijst van handschriften of de laatste zes versies (uit de zestiende eeuw) drukken zijn, maar op basis van de uitgevers en de data van twee andere uitgaven lijkt dat wel het geval.
Het moet me hier van het hart dat, ondanks alle verdiensten van het boek, er nogal wat kleine drukfouten, omissies en toevoegingen van onnodige leestekens zijn. Dit resulteert hier en daar in onduidelijkheden die bij zorgvuldiger proeflezen waarschijnlijk wel opgemerkt zouden zijn. Een kniesoor die daar op let, maar irritant voor de lezer.
Vergilius blijkt een multi-inzetbaar personage dat in verschillende genres uiteenlopende invullingen krijgt. Franssen besteedt uitvoerig aandacht aan zijn plaats in een antifeministische traditie, met natuurlijk verbanden met de heksenjacht en -cultus, naar Faust-aspecten, naar zijn vermomming als een soort Uilenspiegel en naar zijn rol in het genre van de anekdotenbiografie.
Het meest fascinerende aspect van alle interpretaties die Franssen hier verzamelt, vind ik de parallellen die hij trekt tussen Vergilius en Jezus enerzijds en Vergilius en de Antichrist anderzijds. Beide aspecten komen tot uiting in het verhaal van Vergilius en de sultansdochter en in het verhaal over Vergilius’ dood. In deze versie wordt die veroorzaakt door een experiment van de tovenaar om jonger te worden, een wederopstanding die dus, in tegenstelling tot die van Christus, mislukt.
De tradities die meespelen in Vergilius’ presentatie als schepper van een aards paradijs, van wonderen en magische machines, blijken rijker dan op het eerste gezicht gedacht: Bijbelse prototypen van de Verlosser zoals Jozef, de verhalen over het land van Cocagne, de referenties aan de heksenjacht en aan de band van wetenschap, en dan vooral de alchemie, met duivelse machten. Dat heeft ook consequenties voor de interpretatie van de teksten en de afbeeldingen. Zo besteedt de editeur aandacht aan de overblijfselen van een kachel die opgegraven werden in een voormalig Augustijner klooster in Freiburg. Zelfs in hun fragmentarische staat tonen ze dat de monniken zich konden warmen aan een soort vroegmoderne pornografie, namelijk die van de vuurwraak van Vergilius en het beschamende lot van de vrouw die zijn geilheid openlijk wilde tonen door hem in een mand te laten hangen. Franssen interpreteert deze afbeelding als tegenwicht voor de macht van Venus. Die wordt hier ontkracht door te tonen dat de vrouw die Vergilius haar liefde weigerde als straf symbolisch verkracht wordt door alle inwoners van Rome.
Ten slotte besteedt Franssen aandacht aan de kopers en lezers van een vroegmoderne gedrukte tekst als deze en de receptie ervan. Hier komt hij ook uitvoerig terug op de duivelse elementen in de verhalen, specifiek in verband met die van de vrouwenhaat en de vrouw als instrument van de duivel. Vergilius zelf wordt een aantal keren door vrouwen bedrogen, niettegenstaande zijn toverkunsten en geleerdheid. Daarbij kan hij het ook niet winnen van de duivel die uiteindelijk zijn ziel bemachtigt. Exit Vergilius: hij sterft zonder hoop op Gods genade. De macht van de vrouw is echter niet te beteugelen -- een boodschap die in vaak komische vorm uitgedragen wordt, maar daardoor niet minder een waarschuwing is voor het mannelijke geslacht. Vanuit onze optiek is dat een afkeurenswaardige visie, maar ze verschaft wel inzicht in teksten en beelden die voor ons anders onbegrijpelijk zouden blijven.
De tekst opent met de verzekering: ‘het is wel redelijck te scrijven dye wercken van Virgilius, dye wonderlijcke dingen dede te Roomen en op ander plaetsen’ (p. 75). Meer dan redelijck, zou ik zeggen: Franssen geeft ons een wonderlijk geschenk, zonder de nare duivelse bijwerkingen.
