Gebruik deze URI om naar dit artikel te verwijzen: http://www.internationaleneerlandistiek.nl/vol50/nr01/a02
Internationale Neerlandistiek, 50e jaargang, nr.1 (februari 2012)
Intonatie op de grens van Nederland en Duitsland: Nedersaksisch en Hoogduits
Jörg Peters, Jan Michalsky, Judith Hanssen
Abstract1
Recent research on intonational variation in West Germanic languages suggests that tonal variation among dialects of a single language may be larger than among national standard varieties like British English, Dutch, and German. However, most parts of the West Germanic language area are still uncharted territory as far as intonation is concerned. In particular, we know virtually nothing about the intonation of northern Dutch dialects and of Low German. This paper deals with intonational variation in the Dutch province of Groningen and the German province of East Frisia, covering Dutch Low Saxon, German Low Saxon, and Northern High German. We report results from two studies on intonational variation. First, a reading task was carried out to determine the tonal inventories and to detect variation in the use of nuclear tunes. Second, speakers were presented with sentences varying by focus condition to determine variation in the phonetic realisation of the same tunes. The results of the first study suggest that speakers of Dutch Low Saxon, German Low Saxon, and High German in the border area make use of the same inventory of nuclear tunes, but differ in the use of single tunes in various utterance types. The second study reveals differences in segmental lengthening, pitch timing, and pitch scaling. We conclude, first, that intonational variation in the northern Dutch-German border area is more likely to be found in the use of tunes and their phonetic realisation than in tonal grammar, and second, that intonational variation between Dutch and German Low Saxon is larger than that between German Low Saxon and local High German.
Inleiding
De intonatie van dialecten is een van de snelst groeiende aandachtsgebieden binnen de fonetiek en fonologie (vergelijk Hirst & Di Cristo 1998; Gilles & Peters 2004; Gussenhoven 2004; Jun 2005). Volgens Ladd (2008, p. 116) kan de intonatie van twee talen op verschillende manieren van elkaar verschillen. Als ze verschillende intonatiecontouren hebben is er sprake van systemische variatie. Zo kent het Frans geen dalend-stijgende melodie die het Nederlands op ziek heeft in Maar je bent toch niet ziek? We spreken van realisatieverschillen als dezelfde intonatiecontour verschillende uitspraken heeft. Zo blijken de dalingen van het Engels en het Nederlands systematisch te verschillen in de plaats in hun lettergreep. In het Nederlands komt die daling vaak net na de hoge an- in Ik draag nu wat anders!, terwijl die in het Engels typisch al in de [n] van under voorkomt in een zin als And then we went under!
De variatie tussen dialecten hoeft niet kleiner te zijn dan die tussen talen. Zelfs als we de grote verschillen buiten beschouwing laten die er bestaan tussen de tonale dialecten die het Nederlands en Duits kennen (Schmidt 1986; De Vaan 2007; Gussenhoven & Peters 2008) en de overige dialecten, dan nog kunnen dialecten meer van elkaar verschillen dan de Nederlandse en Duitse standaardtalen. Het is dan ook verstandig vanuit typologisch oogpunt om het onderzoek naar intonatie niet te beperken tot standaardtalen.
Het idee dat dialecten aanzienlijke verschillen in de melodische vorm laten zien, dateert al van de negentiende eeuw, toen taalkundigen als Otto Bremer (1893) en Eduard Sievers (1901/1912) veronderstelden dat het Noord-Duits en het Zuid-Duits fundamenteel verschillende intonatiesystemen hadden. Recent onderzoek naar West-Germaanse talen bevestigt het bestaan van substantiële dialectverschillen voor het Engels (vergelijk Cruttenden 2001; Grabe, Post, Nolan & Farrar 2000; Grabe & Post 2002; Grabe 2004; Grabe, Kochanski & Coleman 2008; Van Leyden & Van Heuven 2006) en het Duits (Atterer & Ladd 2004; Gilles 2005; Peters 2006; Kügler 2007; Bergmann 2008). Toch is er over de intonatie van de meeste regionale varianten in het West-Germaanse taalgebied nagenoeg niets bekend. Dit geldt in het bijzonder voor de Nederlandse dialecten zonder lexicale toon, die gesproken worden in het overgrote deel van Nederlandstalig Nederland en België, en voor het Nederduits in Noord-Duitsland, met ongeveer 2.6 miljoen dialectsprekers (Möller 2008).
Wij rapporteren in dit artikel de resultaten van twee experimenten[1] die wij hebben uitgevoerd in drie varianten uit het noordelijke Nederlands-Duitse grensgebied: het dialect van Winschoten, het dialect van Weener en het noordelijk Hoogduits zoals dat door de Weener sprekers gesproken wordt. Winschoten (18.000 inwoners) ligt ongeveer veertien kilometer ten westen van de Duitse grens in de provincie Groningen. Weener (16.000 inwoners) ligt in de Duitse streek Oost-Friesland, ongeveer elf kilometer ten oosten van de Nederlandse grens en 25 kilometer van Winschoten. Beide plaatsen liggen in een gebied dat in de middeleeuwen werd bezet door de Friezen, en beide dialecten worden tegenwoordig gedomineerd door de nationale standaardtalen. We beschouwen de lokale variant van Winschoten als een Nederlands Nedersaksisch dialect, ook al bestaat er geen overeenstemming over de status van de Nederlandse noordoostelijke dialecten (vergelijk Goossens 1991; Lenz, Gooskens & Reker 2009). Naar het Weener dialect verwijzen we als Duits Nedersaksisch.
Het eerste experiment bestond uit een leestaak die was ontworpen om zoveel mogelijk verschillende intonatiecontouren te ontlokken aan de proefpersonen. In sectie 2 (Systemische variatie) geven wij een verdeling van die toonhoogtecontouren over verschillende categorieën zinnen. Wij beperken ons daarbij tot de intonatiecontour zoals die is gebruikt vanaf het laatste zinsaccent (verder ‘nucleaire contour’). Verschillen in die distributie kunnen een aanwijzing zijn voor het bestaan van semantische variatie tussen de drie taalvarianten. In sectie 3 (Realisatieverschillen) beschrijven we de resultaten van het tweede experiment, een leestaak die werd ontworpen om realisatieverschillen te kunnen opsporen tussen nucleaire contouren in verschillende focuscondities. Tot slot bieden we een samenvatting van onze resultaten en bespreken we hun betekenis voor huidige intonatiemodellen en voor toekomstig onderzoek naar variatie in intonatie.
Systemische variatie
Inleiding
Systemische variatie, waarvan hierboven een voorbeeld werd gegeven uit het Frans en het Nederlands, kennen we ook voor dialecten. Zo wordt een declaratief in het Noord-Duits uitgesproken met een daling, maar in het Zuid-Duits in het zuidwesten met een stijgende-dalende melodie (Peters 2006). In Groot-Brittannië is de zogeheten rise-level-slump intonatie kenmerkend voor Manchester, maar wordt deze in het zuiden niet gebruikt (Cruttenden 2001). Van zuid naar noord bestaan er ook verschillende voorkeuren voor de uitspraak van een declaratief, die in Cambridge vooral met een daling wordt uitgedrukt, maar in Newcastle met een stijging (Grabe & Post 2002; Grabe 2004).
In deze sectie beschrijven we zulke systemische verschillen voor dialecten rond de noordelijke grens tussen Nederland en Duitsland. De data zijn afkomstig van het project Intonatie in Variëteiten van het Nederlands, dat intonatieverschillen beschrijft voor kustdialecten van Zeeland in Nederland tot Oost-Friesland in Duitsland.
Methode
Om zoveel mogelijk verschillende nucleaire contouren aan onze sprekers te ontlokken, hebben wij ze een aangepaste versie van het Nederduitse volksverhaal De Tuunkrüper (Het Winterkoninkje, Wisser 1914) laten voorlezen, die uitgebreid was met onder andere dialogen, opsommingen en uitroepen, en daarna vertaald naar het Winschoten Nedersaksisch (WI-NS), het Weener Nedersaksisch (WE-NS) en het Weener Hoogduits (WE-HD). De Weener proefpersonen lazen eerst de Nedersaksische versie van het verhaal en daarna de Hoogduitse. Er zat ongeveer vier weken tussen de twee opnames. We vroegen de proefpersonen vloeiend voor te lezen, en verkeerd uitgesproken passages te herhalen aan het eind van de opname. De opnames vonden plaats bij de sprekers thuis of in een rustige kamer van een openbaar gebouw, met een draagbare digitale recorder (Zoom H4 of Tascam DA-P2) en condensator hoofdmicrofoon (Shure WH30XLR of Sennheiser MKE 2). Data werden vervolgens gedigitaliseerd met een bemonsterfrequentie van 48 kHz (16 bit) en verder verwerkt in Praat (Boersma & Weenink 2010).
Er hebben achttien sprekers uit Winschoten (vijf mannen en dertien vrouwen in de leeftijd 16-45 jaar) en achttien sprekers uit Weener (zeven mannen en elf vrouwen in de leeftijd 16-28 jaar) deelgenomen aan het experiment. Beide groepen sprekers waren tweetalig en spraken zowel de standaardtaal (Nederlands, Duits) als hun plaatselijke dialect. De meeste proefpersonen waren onbekend met de geschreven versie van hun dialect, wat mogelijk een effect heeft gehad op hun leesvaardigheid.
Na de opnames hebben we de nucleaire contouren gelabeld volgens het ToDI transcriptiemodel (Transcription of Dutch Intonation, vergelijk Gussenhoven, Terken & Rietveld 1999; Gussenhoven 2005). De toonhoogtecontouren worden weergegeven als een reeks tonen, die hoog (H) of laag (L) zijn. De uitspraak van een toon heeft een ‘doelwaarde’, een frequentie van de stembandtrilling die op een bepaald moment in de zin voorkomt. De vloeiende melodie ontstaat wanneer die doelwaarden met elkaar verbonden worden. Iedere intonatiecontour bevat tenminste één toonhoogteaccent: het nucleaire accent dat associeert met de geaccentueerde lettergreep. Het nucleaire accent kan monotonaal zijn (H* of L*), bitonaal (H*L of L*H) en zelfs tritonaal (H*LH, L*HL). De eerste toon van het toonhoogteaccent wordt steeds gemarkeerd met een ster; de toon erna heet een ‘volgtoon’, die vaak in een volgende lettergreep wordt uitgesproken.
Iedere intonatiecontour wordt gerealiseerd binnen een intonatiefrase, die aan de grenzen wordt gemarkeerd door hoge of lage grenstonen (%L of %H aan het begin en L% of H% aan het eind). Het voorbeeld in (1) toont een f0 spoor, een opeenvolging van gemeten frequenties van de stembandtrillingen, met daaroverheen gelegd de doelwaarden van de tonen en hun verbindingslijn. Onder de zin geven we de representatie van de fonologische tonen. De pijl rechts van de L-tonen geeft aan dat deze tonen de ruimte tot de volgende H-tonen opvullen, en dus twee doelwaarden hebben.
De nucleaire contouren van onze dataset zijn gelabeld met behulp van de tooninventaris in (2), die ook is gebruikt in de beschrijvingen van het Standaardnederlands (Gussenhoven 2005) en Standaardduits (Peters 2009).
| |||||
(2) | a. | Nucleaire toonhoogteaccenten | H*L, H*, L*H, L* | ||
b. | Finale grenstonen (optioneel) | L%, H% | |||
Intonatiecontouren zonder finale grenstoon hebben een vlak toonverloop aan het einde van de intonatiefrase. De afwezigheid van grenstonen wordt gemarkeerd met ‘0%’ (naar Grabe 1998). We kunnen de tooninventaris in (2), samen met de optie ‘0%’ voor vlak toonverloop, combineren tot 12 nucleaire contouren. Daarvan komen de 8 contouren in figuur 1 algemeen voor in zowel het Nederlands als het Duits. De uitspraakregel Upstep zorgt voor de verhoogde H% na een H, wat voorkomt bij de Hoge Stijging en Lage Stijging.
Toonhoogteaccenten kunnen ook worden gemodificeerd door bijvoorbeeld Downstep (Pierrehumbert 1980), Vroege Piek (Kohler 1987) of Late Piek (Gussenhoven 1984, 2004, Ladd 1983). Downstep kan betrekking hebben op elke H* na een andere H. In (3a) ondergaat de tweede H* Downstep. Bij Vroege Piek (3b) valt de nucleaire piek vóór de geaccentueerde lettergreep, terwijl de piek bij Late Piek (3c) juist in de lettergreep erná valt. We markeren Downstep met een uitroepteken (!H*L), Vroege Piek als H+!H*L en de Late Piek als <H*L.
Naast de contouren in (3) komen ook de roepcontouren H* !H 0% en H* !H !H 0% voor in ons corpus, met respectievelijk twee en drie toonhoogteniveaus. Gussenhoven (1993) beschrijft de laatste contour als een typische versie van de roepcontour in het Standaardnederlands. In onze dataset komt deze melodie zelden voor, en alleen in het Winschoten Nedersaksisch. Aangezien de uitroepen in ons verhaal niet consequent werden uitgesproken met een roepcontour, wordt deze melodie hier niet verder behandeld.
Na de tonale inventaris geven we de verdeling van de gebruikte intonatiecontouren over verschillende uitingen. Daarbij concentreren we ons op Finale Declaratieven, Vraagzinnen, Continuatieven, Projectieven, Opsommingen en Parenthesen. De Finale Declaratief is een declaratief die op zichzelf staat, aan het eind van een thematische eenheid of op beurteinde. Vragen omvat alle uitingen die worden gebruikt om een vraag te stellen, los van de syntactische vorm. Met Continuatieven duiden we uitingen aan die syntactisch gezien incompleet zijn of ondergeschikt aan erop volgende zinnen. De Projectief is een uiting die wordt gevolgd door de directe rede; in de tekst wordt hij gemarkeerd met een dubbele punt. Onze tekst bevat alleen open Opsommingen, dat wil zeggen een mogelijk oneindige reeks van een gegeven woordsoort (vergelijk Jefferson 1990; Selting 2004). Met Parenthesen, tot slot, doelen we op elke syntactische eenheid die in grotere eenheden zit ingebed zonder daarvan een constituent te zijn. Voorbeelden van de zes zinstypen (dikgedrukt) uit Het Winterkoninkje worden gegeven in (4) voor het Standaardnederlands.
| |||
(4) | Hij streek neer op de leeuw z’n rug, | ||
Finale Declaratief | en begon op ‘m te schelden. | ||
Vraagzin | Is het misschien de leeuw, | ||
de leeuw uit het eikenbos? | |||
Continuatief | Toen het winterkoninkje zag dat de leeuw wilde ophoepelen, | ||
ging-ie nog veel heviger tekeer, | |||
‘t kleine opdondertje. | |||
Projectief | En de kinderen antwoordden: | ||
Ach, vader, | |||
er kwam net zo’n grote boeman voorbij! | |||
Opsomming | Ze vlogen naar de eiken, | ||
en de beuken, | |||
en de dennenbomen, | |||
ze zochten overal! | |||
Op een warme zomerdag | |||
Parenthese | – ze wilden voor hun jongen wat te eten halen – | ||
lieten ze de kleintjes helemaal alleen achter. | |||
Resultaten
Tonale inventaris
Tabel 1 geeft een overzicht van de gebruikte intonatiecontouren in ons experiment, en de verdeling van de contouren binnen de dialecten. We maken onderscheid tussen ongemodificeerde contouren en contouren die Downstep, Vroege Piek of Late Piek hebben ondergaan. Het blijkt dat alle toonhoogteaccenten en grenstonen die voorkomen in de standaardtalen ook voorkomen in de drie onderzochte varianten, evenals de drie mogelijke accentmodificaties.
Tabel 1. Overzicht van nucleaire contouren en hun frequentie | ||||
Nucleaire contour | Winschoten NS | Weener NS | Weener HD | |
- Accent | H*LL% | 534 | 505 | 583 |
modificatie | H*LH% | 177 | 151 | 130 |
H*L0% | 120 | 104 | 138 | |
H* H% | 112 | 143 | 100 | |
H* 0% | 75 | 141 | 115 | |
L*HH% | 68 | 131 | 118 | |
L*H0% | 18 | 21 | 30 | |
L* H% | 22 | 24 | 45 | |
| ||||
+ Accent | Downstep (anders) | 610 | 616 | 527 |
modificatie | Vroege Piek | 24 | 53 | 40 |
Late Piek | 10 | 3 | 6 | |
Anders | 67 | 23 | 34 | |
Total | 1834 | 1915 | 1866 | |
Ook in de uitspraak van de intonatiecontouren zien we overeenkomsten met de standaardtalen. Zowel in Winschoten als Weener worden de Hoge Stijging (H* H%) en Lage Stijging (L*H H%) uitgesproken met een verhoogde finale grenstoon als het gevolg van Upstep, en wordt H*L 0% aan het eind uitgesproken op een middelhoog niveau, zoals in figuur 1. Op basis van de aangetroffen nucleaire contouren zien we geen verschil in het tonale systeem van de drie dialecten met de standaardtalen. We treffen geen intonatiecontouren aan die uniek zijn, en in slechts één of twee van de varianten voorkomen, zoals het geval was met de rise-level-slump in het dialect van Manchester.
Distributie van nucleaire contouren over zinstypen
Ook als twee talen of dialecten hetzelfde fonologisch systeem hebben, hoeven de tonale contrasten van dat systeem niet dezelfde betekenis te hebben. In deze sectie kijken we naar de distributie van de nucleaire contouren over de zinstypes van het Het Winterkoninkje. Een verschil in spreiding kan betekenen dat de dialecten verschillen in de betekenis of functie die ze toekennen aan intonatiecontouren.
In alle dialecten overheerst het gebruik van de Daling bij de Finale Declaratief, dat wil zeggen een H*L L% toonhoogteaccent, met of zonder modificaties als Downstep, Vroege Piek of Late Piek. Sprekers van het Weener Nedersaksisch en Weener Hoogduits gebruikten de Daling in meer dan 97% van de gevallen. In Winschoten werd naast de Daling (90%) ook de Daal-Stijging (H*L H%) en de Hoog-Vlakke contour gebruikt (H* 0%). Net als in de standaardtalen onderging H* in meer dan de helft van de dalingen Downstep (!H*).
In Vraagzinnen zien we echter zeer grote verschilllen. De Winschoter sprekers gebruiken veel vaker een Daal-Stijging (H*L H%) dan de Weener sprekers, die zowel in het Nedersaksisch en het Hoogduits vaker de Lage Stijging (L*H H%) gebruikten, zoals weergegeven in Figuur 2 voor de zin in (5).
| |||
(5) | Wat is ter mit joe gebeurd? | (Winschoten Nedersaksisch) | |
Wat is d`r mit jo geböhrt? | (Weener Nedersaksisch) | ||
Was ist denn mit euch passiert? | (Weener Hoogduits) | ||
Wat is er met jou gebeurd? | |||
Wat de Continuatieven betreft, vonden we geen sterke voorkeur voor een specifiek type intonatie, hoewel de Onvoltooide Daling (H*L 0%) vaker voorkwam in Winschoten dan in Weener. Ook voor Projectieven gebruikten de Winschoten sprekers vaak de Onvoltooide Daling, terwijl de Weener sprekers de voorkeur gaven aan de Lage Stijging (L*H H%). De sprekers in Weener lieten de H% in Opsommingen vaker weg dan in Winschoten, maar in geen van de dialecten vonden we een overheersend intonatietype. Tot slot zien we dat de sprekers uit Winschoten vaker dan hun oosterburen een Daling gebruikten voor Parenthesen. De Weener sprekers gebruikten in dit geval vaker de Hoge Stijging.
Samenvattend constateren we dat in vier van de zes zinstypes die we onderzocht hebben duidelijke verschillen bestonden tussen de Winschoter en Weener proefpersonen in hun voorkeur voor bepaalde nucleaire contouren. Het gedrag van de Weener sprekers in het Nedersaksisch en het Hoogduits verschilde echter weinig. Op basis van onze resultaten concluderen we dat men in een onderzoek naar betekenis en functie van intonatie waarschijnlijk meer verschil zou vinden tussen Winschoten en Weener Nedersaksisch of Weener Hoogduits dan tussen de twee laatste varianten.
|
Figuur 2. Gebruikspercentages van nucleaire contouren in drie dialecten bij de vraagzin in (5), met 95% betrouwbaarheidsintervallen. Wit: Winschoten Nedersaksisch; grijs: Weener Nedersaksisch; zwart: Weener Hoogduits (N = 54). |
Realisatieverschillen
Inleiding
Talen verschillen niet alleen in de set van intonatiecontouren die ze tot hun beschikking hebben, ze verschillen ook in de uitspraak van fonologisch identieke contouren onder verschillende omstandigheden. In de afgelopen twintig jaar hebben veel onderzoekers naar zulke realisatieverschillen gekeken. Zo weten we nu dat talen verschillende manieren hebben om een melodie uit te spreken onder tijdsdruk. Bij een Daling op het laatste woord in de zin Ik zie een SCHIP breken sprekers van het Duits deze af (truncatie), terwijl sprekers van het Engels hem versneld uitspreken (compressie; Grabe 1998a; Grabe, Post, Nolan & Farrar 2000). Sprekers van Winschoten Nedersaksisch laten een combinatie zien, waarbij ze sterker comprimeren dan trunceren. Een ander verschil zit in de plaats van de doelwaarden in de lettergreep waarbinnen ze worden uitgesproken (zie Ladd, Schepman, White, Quarmby & Stackhouse 2009 voor een overzicht). In het Zuid-Duits begint een stijgende intonatie bijvoorbeeld later dan in het Noord-Duits (Atterer & Ladd 2004).
In deze sectie kijken we naar het effect van focus op de uitspraak van Dalingen. Afhankelijk van de focusconditie van een zin, zoals neutrale focus of correctieve focus, kan een geaccentueerde lettergreep langer of korter zijn, en kan zowel de vorm van de intonatiecontour als zijn plaats in de lettergreep verschillen (bijvoorbeeld Xu & Xu 2005; Baumann, Becker, Grice & Mücke 2007; Féry & Kügler 2008). Hanssen, Peters en Gussenhoven (2008) hebben het effect van drie focuscondities op de uitspraak van Dalingen in het Standaardnederlands bestudeerd. Bij niet-contrastieve Enge Focus en correctieve Enge Focus, waarvan voorbeelden in (6b) en (6c) worden gegeven, verlengden sprekers de duur van de onset /m/ en de coda /n/ ten opzichte van Neutrale Focus (6a). Ook ligt de toonhoogte aan het eind van de Daling lager in zinnen met Enge Focus dan in zinnen met Neutrale focus. De grootte van de focusconstituent, aangegeven met […]FOC , is de hele zin bij Neutrale Focus, en het geaccentueerde woord bij Enge Focus.
(6) | a. | Neutrale Focus |
Wat is er gebeurd? | ||
[Ik had je naar Manderen willen rijden.]FOC | ||
| ||
b. | Niet-contrastieve Enge Focus | |
Waar zouden je oom en tante willen wonen? | ||
Ze zouden bij [Manderen]FOC willen wonen. | ||
| ||
c. | Correctieve Enge Focus | |
Had je moeder je naar Zaltbommel willen sturen? | ||
Nee, ze had me naar [Manderen]FOC willen sturen. | ||
Van Heuven (1994) heeft onderzocht of de focusconstituent in het Nederlands kleiner kan zijn dan de lettergreep, de fonologische eenheid die geaccentueerd wordt. Hij maakte daarbij onderscheid tussen focus op de medeklinker in de onset, de klinker of de medeklinker in de coda. De medeklinker in de onset is bijvoorbeeld de focusconstituent in Ik heb niet woon maar boon gezegd. Uit het productie-experiment bleek dat de uitspraak van het toonhoogteaccent niet verschilde tussen focus op de klinker en focus op de lettergreep, maar bij focus op de onset of de coda bleken er wel verschillen te zijn ten opzichte van de locatie van de piek in de lettergreep en de duur en de excursie van de stijging voorafgaand aan de piek. Ook was de excursie van de stijging groter bij focus op de onset of coda dan bij focus op de klinker of lettergreep. Een perceptie-experiment toonde aan dat sommige sprekers in staat waren verschillen in focus waar te nemen, maar nooit het verschil tussen focus op de lettergreep en focus op de klinker. Van Heuvens bevindingen in zowel het productie- als het perceptie-experiment steunen de opvatting dat de nucleus het belangrijkste element van de lettergreep is, ook wel het prosodische hoofd genoemd.
In dit onderzoek hebben we naar de realisatie van Dalingen gekeken in zinnen met correctieve focus (op het woord, de lettergreep of de onset) ten opzichte van zinnen met neutrale focus. We wilden weten op welke manier verschillen in de grootte van het focusdomein worden uitgedrukt in talen en dialecten die nauw verwant zijn aan het Nederlands. Meer specifiek onderzochten we of deze sprekers een kleinere focusconstituent eveneens uitdrukken met de locatie van de piek of grotere duur of excursie van de stijging, zoals hierboven voor de standaardtaal beschreven.
Methode
De leestaak in dit experiment bestond uit twaalf minidialogen die bestonden uit een vraag en een antwoord in de vorm van een declaratieve zin. Er waren vier focuscondities met ieder drie testwoorden. In het Nederlands wordt de declaratief algemeen uitgesproken met een dalende intonatiecontour (H*L L%), waarbij het toonhoogteaccent H*L op de nucleaire syllabe valt. We gebruikten drie niet-bestaande plaatsnamen (Malberen, Melberen en Molberen) met de metrische structuur Xxx als testwoorden. Op ieder testwoord volgde een werkwoord met de structuur xXx. In tabel 2 staan Nederlandse voorbeeldzinnen van iedere focusconditie voor het woord Malberen. Net als in het eerste experiment werden deze zinnen vertaald voor de dialecten.
De sprekers lazen de testzinnen voor te midden van 61 minidialogen uit andere experimenten. De volgorde van de zinnen werd gerandomiseerd, waarbij we twee versies maakten om volgorde-effecten te voorkomen. De minidialogen werden opgenomen voor of na de leestaak van het eerste experiment, met dezelfde groep sprekers en volgens dezelfde procedure als hierboven beschreven.
Tabel 2. Testzinnen voor het woord Malberen, opgesplitst naar focusconditie (neutraal, correctief) en grootte van de focusconstituent (zin, woord, syllabe of onset) | |||
Focusconditie | Focusdomein | Minidialoog | |
neutraal | Zin | A. | Wat gaat er gebeuren? |
B. | [Ze willen bakker Malberen belonen] | ||
correctief | Woord | A. | Wilde de agent meester Verdonck belonen? |
B. | Meester Verdonck? Nee, hij wilde meester [Malberen] belonen! | ||
correctief | Syllabe | A. | Zullen die mensen dokter Lomberen belonen? |
B. | Dokter Lomberen? Nee, ze zullen dokter [Mal]beren belonen! | ||
correctief | Onset | A. | Mag ik Anne Nalberen belonen? |
B. | Anne Nalberen? Nee, je mag Anne [M]alberen belonen! | ||
Resultaten
Metrische structuur
Bij beluistering van de opnames vonden we voor alle drie varianten een onverwachte uitspraak van de testwoorden Malberen, Melberen en Molberen. Waar in de standaardtaal het metrische patroon Xxx ('Malberen) wordt gebruikt, kwamen we in Winschoten en Weener de alternatieven XXx ('Malbe:ren), XX ('Malbe:rn en 'Ma:lbe:rn) en Xx ('Malbern) tegen. Daarbij zijn er verschillen tussen Winschoten en Weener, maar ook tussen Weener Nedersaksisch en Weener Hoogduits. In tabel 3 staat het relatieve gebruik van de zes uitspraken van het testwoord Malberen in de drie varianten. Sprekers uit Winschoten gaven de voorkeur aan het patroon XX of Xx, en sprekers uit Weener gebruikten naast Xxx ook vaak XX (We-NS) of XX en XXx (We-HD).
Tabel 3. Relatief gebruik van de metrische patronen van de drie testwoorden (in percentage van het totaal) | |||||
Malberen | Malbe:ren | Malbe:rn | Ma:lbe:rn | Malbern | |
Xxx | XXx | XX | XX | Xx | |
Wi-NS | 15.6 | 0.9 | 27.4 | 0.0 | 56.1 |
We-NS | 50.3 | 2.0 | 47.7 | 0.0 | 0.0 |
We-HD | 67.5 | 9.9 | 22.2 | 0.5 | 0.0 |
Duurverschillen
In deze sectie willen we de vraag beantwoorden of er een relatie bestaat tussen de grootte en de duur van het focusdomein. Figuur 3 toont de duren van het nucleaire woord, de nucleaire syllabe, en van de onset van de nucleaire syllabe bij neutrale focus (NF) en de drie correctieve focuscondities, te weten correctieve focus op het woord (CF-W), op de syllabe (CF-S), en op de onset (CF-O). Op basis van de resultaten kunnen we een aantal observaties doen. Ten eerste zien we dat sprekers van de drie varianten de duur van segmenten verlengen bij zinnen in correctieve focus vergeleken met neutrale focus. Binnen de categorie correctieve focus bestaat voor Winschoten Nedersaksisch en Weener Nedersaksisch de neiging om de duur van segmenten te verlengen naarmate het domein van de focus kleiner wordt. In de figuur zien we dat zowel de onsetduur als de lettergreep- en de woordduur het langst zijn voor zinnen met correctieve focus op de onset (CF-O). Dit betekent ook dat er geen directe relatie bestaat tussen de grootte van de focusconstituent en de duur daarvan; we zien geen relatief langere duur van de lettergreep als focusconstuent ten opzichte van een lettergreep die deel uitmaakt van een grotere focusconstituent als het woord. Tot slot kunnen we algemeen opmerken dat de duur van de onset en de lettergreep langer is in Winschoten dan in Weener, en dat er geen onderscheid bestaat tussen Weener Nedersaksisch en Weener Hoogduits.
f0 verschillen
Op basis van de gemiddelde intonatiecontouren in figuur 4 kunnen we algemene verschillen tussen focuscondities en tussen de drie varianten vaststellen en beschrijven. De gemiddelde contouren werden gemaakt met behulp van het Praatscript ProsodyPro van Yi Xu (2005-2011), door alle f0 contouren te middelen over sprekers, apart voor de vier focuscondities en de drie varianten. In de linkerpanelen vergelijken we de neutrale focusconditie (NF, donkere lijn) met de drie correctieve focuscondities samen (CF, grijze lijn). In de rechterpanelen is de correctieve focusconditie opgesplitst naar de grootte van het focusdomein (onset, syllabe of woord). De lijnen geven de intonatie op het testwoord en het daaropvolgende werkwoord, bijvoorbeeld Manderen belonen.
Bij het bestuderen van de rechterpanelen valt op dat er weinig realisatieverschillen bestaan tussen de drie correctieve focuscondities. Alleen in Weener Nedersaksisch zien we dat het begin van de stijging lager is, naarmate de focusconstituent kleiner wordt. Bij de vergelijking tussen de drie samengevoegde CF condities enerzijds en neutrale focus anderzijds (linkerpanelen) zien we duidelijker verschil in uitspraak.
In de correctieve focusconditie is de excursie van de stijging aan het begin van het testwoord vergroot ten opzichte van neutrale focus. In Winschoten gebeurt dit door het begin van de stijging te verlagen en het eind te verhogen, en in Weener slechts door verlaging aan het begin. De hoogte en plaats van de piek verandert niet, waardoor CF een steilere helling heeft dan NF. Een verschil in focusrealisatie tussen Winschoten enerzijds en Weener anderzijds is dat de eerste groep sprekers ook een vergrote excursie van de daling laat zien, terwijl die voor de Weener sprekers niet verandert met focusconditie. We zien in Winschoten geen extra lage toonhoogte aan het eind van de daling, zoals we hierboven beschreven voor het Standaardnederlands en zoals ook voor het Engels is gerapporteerd (Xu & Xu 2005).
Als we tot slot kijken naar algemene verschillen in uitspraak van de Daling tussen de drie varianten, valt vooral op dat in Winschoten de stijgende excursie groter is dan in beide Weener varianten. Ook bereikt de nucleaire piek in Winschoten een hoger punt dan in Weener.
Discussie
Systemische variatie
In het eerste deel van dit artikel hebben we systemische variatie in intonatie onderzocht. De resultaten van de leestaak Het Winterkoninkje lieten zien dat de sprekers uit Winschoten en Weener dezelfde set nucleaire intonatiecontouren gebruikten. De tonale inventaris bestaat uit de vier toonhoogteaccenten H*L, H%, L*H en L* en de grenstonen L% en H%, waarbij de optie bestaat de grenstoon weg te laten. Ook kunnen de drie accentmodificaties Downstep, Late Piek en Vroege Piek worden gebruikt. De nucleaire contouren die voor de drie onderzochte varianten zijn beschreven, zijn grotendeels dezelfde als in het Standaardnederlands en het Standaard Hoogduits (Gussenhoven 2005; Grice, Baumann & Benzmüller 2005; Peters 2009). Wat betreft de tonale inventaris kunnen we concluderen dat er geen systemische variatie is gevonden.
Als we vervolgens kijken naar het gebruik van de nucleaire contouren in verschillende zinstypes, komen we wel dialectvariatie tegen. In Vraagzinnen gebruikten de sprekers uit Winschoten vaker een Daal-Stijging dan hun Oosterburen, die vaker de Lage Stijging gebruikten, zowel in het Nedersaksisch als het Hoogduits. Het geringe gebruik van lage of stijgende intonatie voor vragen in Winschoten is ook voor het Standaardnederlands gevonden (Haan 2002). In Continuatieven en Projectieven werd in Winschoten vaker een Daal-Vlakke intonatie gebruikt dan in Weener. De H*L en H* toonhoogteaccenten die sprekers uit Weener gebruikten voor Opsommingen eindigden vaker zonder grenstoon (0%). Tot slot werden Parenthesen in Winschoten vaker met een Daling uitgesproken. De Weener sprekers gebruikten hiervoor vaker de Hoge Stijging.
Zulke verschillen in het gebruik van nucleaire contouren zijn ook gevonden voor dialecten van het Engels in Groot-Brittannië (Grabe & Post 2002; Grabe, Kochanski & Coleman 2008), hoewel de verschillen daar groter zijn en de tonale inventaris bovendien niet voor alle dialecten hetzelfde was. De vraag is nu waarom de sprekers van Winschoten en Weener voor sommige zinstypes verschillende contouren gebruikten, terwijl ze toch over dezelfde tonale inventaris beschikten. Een mogelijkheid is, dat een melodie in het ene dialect een andere betekenis heeft dan in het andere. Het zou echter ook kunnen, dat de conceptualisatie van een bepaalde conversationele uiting verschilt per sprekergroep. Stel, de L-toon van de toonhoogtecontour H*L is gekoppeld aan het kenmerk ‘assertief’ (vergelijk Bartels 1999) in zowel Winschoten als Weener. Als de sprekers uit Winschoten vaker een vraag als ‘assertief’ interpreteren, dan kan dat verklaren waarom ze vaker de Daal-Stijging H*L H% gebruiken dan in Weener. In dat geval heeft de nucleaire contour H*L H% niet noodzakelijk een andere betekenis in Winschoten, maar is hij gebruikt omdat de vraagzin daar anders werd gelezen. Uiteraard kan een eenvoudige leestaak als de onze geen uitsluitsel geven over welke van deze verklaringen de juiste is.
Realisatieverschillen
Met het tweede experiment hebben we voor drie varianten onderzocht of focusconditie een effect heeft op de uitspraak van Dalingen. We hebben gezien dat correctieve focus een effect heeft op segmentduren in alle drie dialecten. De duren van de onset, de lettergreep en het woord waren langer in zinnen met correctieve focus dan in zinnen met neutrale focus. Daarnaast was er voor twee van de dialecten zwak verband tussen de grootte van de focusconstituent en segmentduur, waarbij de langste duren gekoppeld waren aan het kleinste domein. Zulke duurverschillen werden ook gevonden tussen neutrale en correctieve focus in het Standaardnederlands (Hanssen, Peters & Gussenhoven 2008).
Focusconditie had ook een effect op de excursiegrootte van de nucleaire Daling. In Winschoten werd de excursie van zowel de stijging voor de nucleaire piek als de daling erna vergroot bij correctieve focus, terwijl in Weener alleen de beginstijging een grotere, en steilere, excursie liet zien.
Waar Van Heuven (1994) een uitspraakverschil vond tussen focus op de lettergreep en focus op de onset- of codamedeklinker, had het verkleinen van de focusconstituent in ons experiment geen substantieel effect op de uitspraak van de Daling. Eerder zagen we dat het verband tussen segmentduur en grootte van de focusconstituent zwakker is dan tussen segmentduur en neutrale focus versus correctieve focus. We concluderen hieruit dat sprekers een verschil in focustype (zoals neutraal en correctief) eerder in hun uitspraak laten horen dan een verschil in focusomvang.
Tot slot kunnen we een aantal algemene verschillen rapporteren in de uitspraak van Dalingen in Winschoten en Weener, die los staan van focus. Segmentduren in Winschoten waren over het algemeen langer dan in Weener, vooral voor de onset. Daarnaast zagen we in Winschoten grotere excursies en een hogere nucleaire piek. Een belangrijke bevinding is dat we tussen Weener Nedersaksisch en Weener Hoogduits nagenoeg geen uitspraakverschillen hebben kunnen vinden. De resultaten van de leestaak Het Winterkoninkje lieten ook al een groter verschil zien tussen Winschoten en Weener dan tussen de twee Weener varianten. Dit roept allereerst de vraag op in hoeverre bidialectische sprekers naast verschillende woorden en verschillende klinkers ook van verschillende prosodische systemen gebruik maken. In het onderzochte geval is dat evident niet het geval: de Weener proefpersonen gebruiken nagenoeg dezelfde intonatie in beide varianten. Er bestaat naar ons weten geen onderzoek dat een algemener antwoord op de vraag toelaat. Informele observatie suggereert dat Limburgse sprekers van Standaardnederlands vaak in de intonatie hun moederdialect laten doorklinken, maar dat in andere gevallen de intonatie in hun Standaardnederlands juist die van het Standaardnederlands is.
Onze keuze van de dialecten laat in dit verband wel een interessante conclusie toe, namelijk dat de staatsgrens tussen Nederland en Duitsland een groter effect heeft op intonatie dan de taalgrens, en dus zorgt voor linguïstische differentiatie. Vanwege hun geringe geografische afstand zouden Winschoten Nedersaksisch en Weener Nedersaksisch meer op elkaar moeten lijken dan het Weener Nedersaksisch en Weener Hoogduits. Waar dat in het verleden zeker het geval is geweest, kunnen we op basis van onze bevindingen concluderen dat de Weener sprekers hun dialect weliswaar hebben behouden, maar hun intonatie hebben aangepast aan het Standaardduits (vergelijk Goossens 1991). Op dezelfde manier gedragen de Winschoter sprekers zich meer volgens de normen van het Standaardnederlands. Deze ontwikkeling sluit aan bij de bevindingen van Giesbers (2008), die ontdekte dat de Nederlands-Duitse staatsgrens een breuk in het Kleverlands dialectcontinuüm heeft veroorzaakt.
In het verleden heeft de intonatie in het noordelijke Nederlands-Duitse grensgebied nauwelijks de aandacht van dialectologen of fonologen getrokken. Dit heeft mogelijk te maken met het feit dat we in dit gebied geen opmerkelijke intonatiepatronen tegenkomen, zoals in Noord-Engeland of Limburg. Toch laten onze resultaten zien dat er zowel systemische als realisatieverschillen te vinden zijn in dit gebied, en dat het onderzoeken van dergelijke verschillen de moeite waard is.
Noot
Jörg Peters is hoogleraar Duitse en Nederduitse taalkunde aan de Carl von Osietzky Universität Oldenburg. Hij was in de jaren 2003-2009 als onderzoeker verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen, waar hij onderzoek deed naar de intonatie in dialecten van het Nederlands, Fries, Nedersaksisch en Duits. mjoerg.peters@uni-oldenburg.de
Jan Michalsky is student Duitse taalkunde aan de Carl von Osietzky Universität Oldenburg en student-assistent van Jörg Peters. mjan.michalsky@uni-oldenburg.de
Judith Hanssen was tot 2010 als PhD-student verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen, waar ze onderzoek deed naar de uitspraak van intonatie in dialecten van het Nederlands, Fries en Nedersaksisch. Momenteel werkt ze als docent Engels bij Avans Hogeschool. mj.hanssen@let.ru.nl
1. Dit onderzoek maakt deel uit van het project Intonatie in Variëteiten van het Nederlands, dat werd gesubsidieerd door NWO. We danken Marron Fort en Garrelt van Borssum voor hun vertaling van het leesmateriaal naar het Winschoten Nedersaksisch en het Weener Nedersaksisch. Ook bedanken we onze sprekers voor hun bereidheid en inzet. We zijn Carlos Gussenhoven en de reviewers zeer erkentelijk voor hun waardevolle suggesties en opmerkingen over eerdere versies van dit artikel.
Bibliografie
Atterer, M. & D.R. Ladd, ‘On the phonetics and phonology of “segmental anchoring” of F0: evidence from German’. Journal of Phonetics 32, 2004, 177-197.
Bartels, C., The intonation of English statements and questions. A compositional interpretation. New York, 1999.
Baumann, S., J. Becker, M. Grice & D. Mücke, ‘Tonal and articulatory marking of focus in German’. Proceedings of the 16th ICPhS, Saarbrücken, 2007, 1029-1032.
Bergmann, P., Regionalspezifische Intonationsverläufe im Kölnischen. Formale und funktionale Analysen steigend-fallender Konturen. Tübingen, 2008.
Boersma, P. & D. Weenink, Praat: doing phonetics by computer [Computerprogramma]. Versie 5.1.25, 2010.
Bremer, O., Deutsche Phonetik. Leipzig, 1893.
Cruttenden, A., ‘Mancunian intonation and intonational representation’. Phonetica 58, 2001, 53-80.
Féry, C. & F. Kügler, ‘Pitch accent scaling on given, new and focused constituents in German’. Journal of Phonetics 36, 2008, 680-703.
Giesbers, C., Dialecten op de grens van twee talen: een dialectologisch en sociolinguïstisch onderzoek in het Kleverlands dialectgebied. Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen. Groesbeek, 2008.
Gilles, P., Regionale Prosodie in Deutschen. Variabilität in der Intonation von Abschluss und Weiterweisung. Berlin & New York, 2005.
Gilles, P. & J. Peters (red.), Regional variation of intonation. Tübingen, 2004.
Goossens, J., ‘The “Netherlandization” of the Low German West’. T.F. Shannon & J.P. Snapper (red.), The Berkeley conference on Dutch linguistics 1989. Lanham, MD, 1991, 35-55.
Grabe, E., Comparative intonational phonology: English and German. Wageningen. Dissertatie Universiteit van Nijmegen, 1998.
Grabe, E., ‘Pitch accent realization in English and German’. Journal of Phonetics 26, 1998a, 129-143.
Grabe, E., Intonational variation in urban dialects of English spoken in the British Isles. P. Gilles & J. Peters (red.), Regional Variation in Intonation. Linguistische Arbeiten, Tübingen, 2004, 9-31.
Grabe, E., G. Kochanski & J. Coleman, ‘The intonation of native accent varieties in the British Isles - potential for miscommunication?’ K. Dziubalska-Kolaczyk & J. Przedlacka (red.), English pronunciation models: a changing scene. Bern, 2008.
Grabe, E., B. Post, Nolan F, & K. Farrar, ‘Pitch accent realisation in four varieties of British English’. Journal of Phonetics 28, 2000, 161-185.
Grabe, E. & B. Post, ‘Intonational Variation in the British Isles”. B. Bel & I. Marlin (red.), Proceedings of the Speech Prosody 2002 Conference, 11-13 April 2002, Aix-en-Provence, 343-346.
Grice, M., S. Baumann & R. Benzmüller, ‘German intonation in autosegmental-metrical phonology’. S.-A. Jun (red.), Prosodic typology: The phonology of intonation and phrasing. Oxford, 2005, 55-83.
Gussenhoven, C., On the grammar and semantics of sentence accents. Dordrecht, 1984.
Gussenhoven, C., ‘The Dutch foot and the chanted call’. Journal of Linguistics 29, 1993, 37-63.
Gussenhoven, C., The phonology of tone and intonation. Cambridge, 2004.
Gussenhoven, C., Transcription of Dutch intonation. S.-A. Jun (red.), Prosodic typology: The phonology of intonation and phrasing. Oxford, 2005, 118-145.
Gussenhoven, C. & J. Peters, ‘De tonen van het Limburgs’. Tijdschrift voor Nederlandse Taalkunde 13, 2008, 87-114.
Gussenhoven, C., J. Terken & T. Rietveld, Transcription of Dutch intonation. Courseware. 1999. Geraadpleegd op 26 november 2011 op http://todi.let.kun.nl/.
Haan, J., Speaking of questions. An exploration of Dutch question intonation. Ph.D. thesis, Utrecht, 2002.
Hanssen, J., J. Peters & C. Gussenhoven, ‘Prosodic effects of focus in Dutch declaratives’. Proceedings of the International Conference on Speech Prosody, Campinas, Brazil, 2008.
Heuven, V. van, ‘What is the smallest prosodic domain?’ P. Keating (red.), Phonological structure and phonetic form. Papers in Laboratory Phonology III, Cambridge, 1994, 76-98.
Hirst, D. & A. di Cristo (red.), Intonation systems. A survey of twenty languages. Cambridge, 1998.
Jefferson, G., ‘List construction as a task and interactional resource’. G. Psathas (red.), Interactional competence. Lanham, MD, 1990, 63-92.
Jun, S.-A. (red.), Prosodic typology: the phonology of intonation and phrasing. Oxford, 2005.
Kohler, K.J., ‘Categorical pitch perception’. Proceedings of the 11th International Congress of Phonetic Sciences, Tallinn, vol. 5, 1987, 331-333.
Kügler, F., The intonational phonology of Swabian and Upper Saxon. Tübingen, 2007.
Ladd, D.R., Phonological features of intonational peaks. Language 59, 1983, 721-759.
Ladd, D.R., Intonational Phonology. Cambridge, 2008. [2e herziene uitgave]
Ladd, D.R., A. Schepman, L. White, L.M. Quarmby & R. Stackhouse, ‘Structural and dialectal effects on pitch peak alignment in two varieties of British English’. Journal of Phonetics 37, 2009, 145-161.
Lenz, A. C. Gooskens & S. Reker, ‘On the Low Saxon dialect continuum – terminology and research’. A. Lenz, Ch. Gooskens & S. Reker (red.), Low Saxon dialects across borders. Stuttgart, 2009, 9-26.
Leyden, K. van & V. van Heuven, ‘On the prosody of Orkney and Shetlands dialects. Phonetica 63, 2006, 149-174.
Möller, F., Plattdeutsch im 21. Jahrhundert. Bestandsaufnahme und Perspektive. Leer, 2008.
Peters, J., Intonation deutscher Regionalsprachen. Berlin & New York, 2006.
Peters, J., ‘Intonation’. Duden – Die Grammatik, Hoofdstuk 2 (DUDEN-Reeks Bd. 4). Mannheim, 2009, 95-128. [8ste herziene uitgave.]
Pierrehumbert, J.B., The phonology and phonetics of English intonation. PhD thesis, MIT. Indiana, 1980
Schmidt, J.E., Die mittelfränkischen Tonakzente (Rheinische Akzentuierung). Stuttgart, 1986.
Selting, M., ‘Listen: Sequenzielle und prosodische Struktur einer kommunikativen Praktik – eine Untersuchung im Rahmen der Interaktionalen Linguistik’. Zeitschrift für Sprachwissenschaft 23, 2004, 1-46.
Sievers, E., ‘Über Sprachmelodisches in der deutschen Dichtung’. E. Sievers, Rhythmisch-melodische Studien. Heidelberg, 1901/1912, 56-77.
Vaan, M. de (red.), Germanic tone accents. Proceedings of the First International Workshop on Franconian Tone Accents, Leiden, 13-14 Juni 2003. Stuttgart, 2003.
Wisser, W., Plattdeutsche Volksmärchen. Jena, 1914. [Herdruk 1959: Hamburg, Verlag der Fehrs-Gilde.]
Xu, Y. & C.X. Xu, ‘Phonetic realization of focus in English declarative intonation’. Journal of Phonetics 33, 2005, 159-197.
